|
Klassen en docenten
De klassen zijn over het algemeen niet groter dan zestien leerlingen. Leerlingen worden in een klas geplaatst op grond van leeftijd en hun individuele ontwikkeling. Minstens de helft van de lessen in de eerste en tweede fase wordt verzorgd of begeleid door de eigen mentor van de leerling. In de derde fase is de mentor van de leerling degene die de externe stages begeleidt. De methoden en materialen zijn zo gekozen dat alle leerlingen op hun niveau en in hun eigen tempo kunnen werken. Zo is de leerkracht in staat elke leerling hulp op maat te geven bij het leren. Leerlingen werken met handelingsplannen vanuit hun individuele ontwikkelingsplan (IOP). Deze plannen worden bijgesteld naar aanleiding van de leerlingenbesprekingen, die minstens tweemaal per jaar plaatsvinden. Dit gaat in overleg met de ouders.
Zittenblijven is onmogelijk, omdat elke leerling individuele mogelijkheden heeft en het tempo van zijn of haar ontwikkeling sterk kan verschillen.
Werkvormen
Klassikaal, frontaal lesgeven komt steeds minder voor. In plaats daarvan leren leerlingen steeds vaker met en van elkaar, door samen te werken aan de opdrachten. Het beoordelen van de leerresultaten vindt plaats met behulp van het portfolio. In deze bewijzenmap verzamelt de leerling alles wat hij of zij heeft gedaan bij de verschillende onderdelen van het programma. In toenemende mate worden de leerlingen zelf verantwoordelijk gemaakt voor hun leerproces. De rol van docent verschuift van leraar naar coach. Een coach is zowel begeleider en ondersteuner als stimulator van en voor de leerling.
Stages
Stagetraining is een wezenlijk onderdeel van de school. Leerlingen kunnen vanaf het tweede leerjaar beginnen met interne stages in de school. Doorlopen ze dit programma met goed gevolg, dan kunnen ze met een stage buiten de school starten. Op grond van hun ervaringen zullen de leerlingen een werkplek kiezen die bij hen past, in de beroepsrichting van hun voorkeur. In het begin duurt de stage een dag per week. Uiteindelijk kan de leerling, vlak voor het verlaten van de school, vier dagen per week stage lopen bij een bedrijf of instelling waar hij of zij aan het werk wil.
Leerlingen die willen doorleren voor een opleiding op het mbo (ROC) moeten stage lopen in de richting van de vervolgopleiding.
|